ANWB: 'Niet het soort verkeersdeelnemer, maar de aard van de weg en omvang van voertuig bepalen maximum snelheid'
ActueelPas met name binnen de bebouwde kom de maximum snelheid van een voertuig aan de infrastructuur aan en niet aan de mogelijkheden van het voertuig. Op die maner ontstaat vanzelf een rustiger en veiliger verkeersbeeld. Ook moeten de massa en omvang van een voertuig worden meegenomen bij toelating tot ene bepaald wegdeel.
Dit zijn twe ebelangrijke voorstelen die de ANWB doet op basis van een studie naar de toekomstige inrichting van de stad met de titel ‘Verkeer in de stad, een ontwerpfilosofie voor de stedelijke openbare ruimte’. Hierin pleit de consumentenorganisatie voor een functionele andere inrichting van steden, als gevolg van de toegenomen drukte. Vooral fietsers worden steeds meer gemangeld tussen alle andere verkeersdeelnemers.
Een van de problemen is dat op dezelfde weg verkeersdeelnemers verschillende snelheidsregimes zijn. Dat kan anders, meent de ANWB. Een maximum snelheid op een bepaalde weg geldt voor alle voertuigen en deze is niet afhankelijk van het soort voertuig. Dus: als op een weg een maximum snelheid van 20 km/uur geldt, dan mag daar niemand, ook fietsers niet, sneller rijden. Andersom geldt hetzelfde uitgangspunt: als ergens een snelheidsmaximum is van 50 km/uur, dan mogen ook snorfietsen en elektrische fietsen hier 50 km/uur.
Massa en omvang
Een tweede uitgangspunt is dat massa en afmetingen bepalen of iemand wel of niet op een bepaalde weg mag rijden. Hiervoor heeft de ANWB het begrip ‘ voertuigfamilies’ bedacht. Familie A zijn voetgangers, familie B de fiets-achtigen, C zijn lichte motorvoertuigen, D de auto-achtigen, E de vrachtauto-achtigen en F de tram-achtigen.
De ANWB stelt voor dit vooruitstrevende idee in een paar steden als proef uit te rollen.





